terug

 ik ben piet.
 ik heb een zak 
 en ook een roe. 
 weet jij wat ik doe? 
 ik help de sint.

1
terug


  de zak van piet 
 
met een groen pak,
 
een rood pak 
 
en een blauw pak.
  de zak is bruin.

2
terug

   daar gaan sint en piet.
   sint zit op het paard.
   piet loopt er naast.
   hij draagt de zak.

3
terug

de schoen ge-zet,
toen nog een lied.

nu gauw naar bed
en dan komt piet...

4
terug









  
    kijk !
    piet wil het dak op.
    maar dat valt niet mee.
    er komt rook uit de pijp.
    weg is piet !

5
terug


                     wat is dat nou, piet ?
         durf je soms niet ?
         
         kom, doe niet zo raar,
         mijn schoen staat al klaar !
6
terug

  
    sint leest in het boek.
    het boek is dik.
    er staat ook heel wat in.
    van elk kind wel iets.

7
terug

    in de zak bij piet,
    wie wil dat nou niet ?
    zo maar voor de grap.
    dag mam, dag pap !

8
terug

        piet op een fiets.
     hoe vind je zo-iets ?
     nu eens niet op het dak.
     geen roe en geen zak.
     hij kijkt heel blij.
     en hij zwaait naar mij.

9
terug


piet is te dik.
hij kan er niet door.
hij denkt: help !
ik zit vast.
hoe kom ik hier uit ?

10