| |
terug
|
een
sinterklaasboek uit het begin van de vorige
eeuw (rond 1920)
enkele prenten en stukjes tekst
om een indruk te krijgen van de
Sinterklaasbeleving in die tijd |
|
|
|

|
De kinderen van toen,
die nog leven,
zijn nu al rond de 90 jaar!
|
|
|
|
|
.... en als de laatste Novemberweek komt,
ja, dan doen ze allen hun best
om gehoorzaam en vlijtig te wezen. Want er zijn er altoos heel wat, die
wel weten, dat zij lang niet het heele jaar door flink hun best hebben
gedaan.
Och wat hebben zij het dan druk!
Al het speelgoed wordt voor den dag gehaald en nagezien, om toch vooral
goed te weten, wat ze wel van den goeden Sint zullen vragen.
Zusje vraagt om chocolade
En een nieuwe, groote pop;
Broertje wenscht als 't allermooiste
Zich een kruikar met een schop.
En broer Willem zegt: 't Is wat waard!
Ik heb het liefst een hobbelpaard!
|
|
 |
 |
|
Wat is dat een pret als ze hem op zijn paard
zien rondrijden!
Dan loopen de kleinen zingende bij hem aan en
- al zijn
ze eerst wat bang, -
als ze zien, hoe vriendelijk hij lacht, knikken ze
ook vroolijk tegen den zwarten knecht.
En ze zingen het hoogste lied:
Wees welkom, Sint Niklaas, bij ons in de stad,
Wij hebben U, lang al verwacht, -
Wij waren zoo blij met het moois dat gij ons
Het vorige jaar hebt gebracht.
Wees welkom, Sint Niklaas, en rijdt gij vannacht
Misschien ook bij ons door de straat,
Och, kom even binnen - ik zorg er wel voor,
Dat bij den schoorsteen mijn schoentje dan staat!
O, wat lacht de goede Sint dan! Hij buigt vroolijk naar alle zijden, alsof
hij wil zeggen: Jawel, oolijkerds, ik weet heel goed, waarom jullie zoo
blij bent! Je weet wel, dat ik niet met leege handen kom! |
Als sterren aan den hemel staan,
Hoort ge hem over de daken gaan, -
Door den schoorsteen strooit de Sint
Lekkers voor het gehoorzaam kind.
En terwijl hij zelf zoo druk bezig is te strooien, is zijn zwarte knecht
met vele helpers aan 't werk om alles uit te zoeken en gereed te leggen,
waarom de kinderen in hunne briefjes hebben gevraagd,
en dat hij 's nachts stilletjes neerlegt in hun schoentjes of op hun bord,
die de oolijke zwarte knecht dan zoo gaarne eens verstoppen mag, opdat de
kinderen den volgenden morgen het niet terstond zullen vinden.
Ja wèl hebben zij het druk, de Sint en zijn knecht!
|
|
 |
|
|
|
|
|

|
|
Zij moesten beiden al naar
school,
Marie en broertje Piet,
Maar 't was voor hen geen pret en jool,
Ze leerden liever niet.
Van eten hielden beiden wel,
En spelen - dat was pret;
Maar voor 't naar school gaan kwamen zij
Nooit tijdig uit hun bed.
Zichzelven kleeden? daarvan gaf
Marie als Piet den brui.
Neen, daarvoor waren alle twee,
Ja, alle twee . . . . te lui!
Zoo werd het eindlijk Sinterklaas,
Toen - kregen ze berouw,
Maar 't was te laat, de Sint zei streng:
Neen, ik breng niets bij jou!
Als j'allebei eens vlijtig wordt
En blijft dat, heel het jaar,
Zet dàn gerust een volgend keer
Maar bei je schoentjes klaar!
|
|
........ terwijl in andere huizen nog alles pret en
vroolijkheid was.
Daar werd gespeeld en gezongen, alle liedjes die de kinderen maar kenden.
Daar strooide de Sint of zijn knecht pepernoten en amandelen, ja, in
sommige huizen kwam hij zelfs binnen.
Natuurlijk mocht hij dan in vaders grooten stoel zitten en kwamen allen om
hem heen staan om hem een handje te geven of een mooi versje op te zeggen.
En dan moest de zwarte knecht den grooten zak openmaken, en wat daar uit
kwam, lekkers en speelgoed, dat deelde de Sint dan uit aan de kinderen! |
|
 |
|
 |
|
Zoodra echter zijn verjaardag voorbij is, maakt hij zich
gereed om weg te reizen.
De zwarte knecht pakt de koffers, en zorgt er voor, dat alles op tijd aan
den trein of aan den boot is.
En onderwijl neemt de Sint stilletjes afscheid van al de vrienden, die hem
hielpen. Stilletjes, want de kinderen behoeven niet te weten, wie dat
zijn.
Dan rijdt hij zelf ook naar het station.
Natuurlijk zijn daar altoos veel menschen, en gaan ook vele kinderen er
heen, om hem te zien vertrekken. |
|
|